Ga naar boven
Home / Beleidsbegroting / Paragrafen / Bijzonder programma Omgevingswet

Bijzonder programma Omgevingswet

Context
In 2019 voert de rijksoverheid de nieuwe Omgevingswet in, waarmee initiatiefnemers, belanghebbenden en de diverse (semi-)overheden met een nieuw instrumentarium zullen samenwerken in het ruimtelijk domein. Aan deze invoering heeft de rijksoverheid vier ambities gekoppeld: vergrote lokale afwegingsruimte, beter inzicht in waar wat wel en niet mag, snellere besluitvorming met beter resultaat, samenhangende benadering in beleid, besluitvorming en regelgeving van de fysieke leefwereld.

De rijksoverheid en de koepels van overheden hebben een bestuursakkoord gesloten, waarin wordt onderkend dat de Omgevingswet nog in ontwikkeling is en dat een stapsgewijze invoering in jaartranches wenselijk is. Daardoor kan de programmering van de jaartranches plaatsvinden op basis van voortschrijdend inzicht. De Omgevingswet heeft nog vele onbekendheden:

  • het wetgevingstraject (onder andere AMvB’s, invoeringswet) van de Omgevingswet is nog niet afgerond;
  • de architectuur, het ontwerp en de implementatie van de landelijke digitale voorzieningen zijn nog niet beschikbaar;
  • er is nog onvoldoende beeld van de op lokaal niveau toe te passen digitale voorzieningen en de aansluiting op de landelijke voorzieningen;
  • ook is er nog onvoldoende duidelijkheid over de praktijk van samenwerking met de diverse ketenpartners;
  • de invulling van de meegegeven ‘vergrote lokale afwegingsruimte’ maakt dat een specifiek Leidse invulling nog ontwikkeld moet worden.

Deze onbekendheden leveren vooralsnog onduidelijkheid op en daarmee samenhangende onzekerheid. In deze context is een programmatische aanpak geëigend, die zich deels kenmerkt in een stapsgewijze aanpak met het naar bevind van zaken handelen.

In 2016 is een start gemaakt met dit bijzonder programma Omgevingswet. Dit programma stuurt op de implementatie van deze stelselwijziging binnen de gemeente Leiden, met vele en grote gevolgen voor het ruimtelijk instrumentarium, voor beleidsvorming, voor participatie, voor de keten van vergunningen, toezicht en handhaving en voor de digitalisering. Waar bij ‘instrumentarium’ vaak alleen wordt gedoeld op de fysiek tastbare en digitale instrumenten, wordt in het domein van het programma Omgevingswet nadrukkelijk ook gestuurd op verandering van de houding en het daaruit volgende gedrag van zowel het ambtelijk en het bestuurlijk apparaat.

Doelen
Het doel van het Leidse programma Omgevingswet is om te zorgen dat de Leidse organisatie en betrokken partners gereed zijn om de nieuwe wet uit te voeren,

  • om voor bewoners en andere belanghebbenden, vanaf moment van invoering van de Omgevingswet, de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren,
  • door op een andere en betere manier samen te werken met initiatiefnemers en belanghebbenden, en
  • door toepassing van het vernieuwde (lokale) instrumentarium, op een manier die aansluit bij de meegegeven ambities.

Dit – nu nog abstracte – doel wordt in 2017 vertaald in zo concreet mogelijke afgeleide doelen, volgend uit de in 2016 opgestelde programmavisie.

Uitvoeringsstrategie
Om dit doel te bereiken hanteert het bijzonder programma een uitvoeringsstrategie die uit verschillende onderdelen bestaat:

  • het opstellen van het uitvoeringsprogramma,
  • de grote betrokkenheid van belanghebbenden en
  • het stelsel van sturing en uitvoering.

Voor het opstellen van het uitvoeringsprogramma worden drie benaderingen in synergie gehanteerd:

  1. de ontwerp benadering, waar vanuit een met belanghebbenden opgestelde programmavisie via een blauwdruk stapsgewijs wordt toegewerkt naar de definitie en uitvoering van inspanningen  (projecten, activiteiten en maatregelen) gericht op het realiseren van het nieuwe ruimtelijke instrumentarium en de toepassing daarvan;
  2. de ervaringsgerichte benadering, waar op initiatief van de in het ruimtelijk domein betrokken teams inspanningen worden uitgevoerd om de werkprocessen – en de resultaten daarvan – aan te passen en te verbeteren;
  3. de wensbeeld benadering, waarin door integrale/globale beleidsinhoudelijke “2040”-visies, die met belanghebbenden samen worden opgesteld,  richting wordt gegeven aan hoe de stad er in 2040 uit moet/kan zien. De regionale en lokale omgevingsvisies gaan het vertrekpunt vormen voor deze wensbeelden.

Deze drie (ontwerp, ervaringsgerichte en wensbeeld) benaderingen komen samen in het op te stellen uitvoeringsprogramma, waarin alle inspanningen worden opgenomen.

Een ander onderdeel van de uitvoeringstrategie is dat belanghebbenden actief in positie worden gebracht om aan de voorkant van vraagstukken hun belang te duiden en te realiseren. Hiertoe zijn in 2016 de stadsgesprekken gevoerd. Niet alleen handelt het programma hiermee volgens de bedoeling van de Omgevingswet, maar ook wordt de positie van belanghebbenden in de gesignaleerde ‘gemeenschappelijke beleidsontwikkeling’ (zie kaderbrief 2017-2020) praktisch gemaakt. Dit zal leiden tot betere ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving, tot grotere acceptatie van de ontwikkelingen en betere samenwerking tussen belanghebbenden en overheden.

Het stelsel van sturing en uitvoering kent drie hoofdlijnen:

  • de programmaorganisatie draagt verantwoordelijkheid voor de sturing op de uitvoeringsstrategie en de daaruit volgende programma-activiteiten, en
  • het programma is opdrachtgever van projecten en activiteiten waarvan het belang voor het programma dit overkoepelende opdrachtgeverschap noodzakelijk maakt, en
  • de teams van de clusters (de lijnorganisatie) zorgen voor de uitvoering van de inspanningen van het uitvoeringsprogramma.

Zo stuurt de programmaorganisatie op het tot stand komen op het uitvoeringsprogramma en de samenhang van de drie benaderingen en de inspanningen; op de uitvoering daarvan; op de beheersing van de aan het programma toegekende middelen en op de monitoring van resultaten.

De teams van de verschillende clusters zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de specifieke inspanningen. Hiermee wordt bereikt dat de uitvoering plaats vindt waar de kennis en ervaring aanwezig is en waar de verandering moet plaatsvinden (in de teams van de clusters) én dat er een integrale sturing is op al datgene wat nodig is om de nieuwe Omgevingswet uit te kunnen voeren. En uiteraard ook dat er een integrale verantwoording is over het bereiken van de doelen van het programma.

Middelen
Het uit kunnen voeren van de Omgevingswet vergt flinke investeringen en heeft grote gevolgen voor de exploitatielasten vanaf 2019. De rijksoverheid en de betrokken overheidskoepels (waaronder de VNG) hebben overeenstemming over de verdeling van lasten en baten van zowel invoeringskosten als exploitatie. Op hoofdlijn betekent dit dat elke overheid de eigen invoeringskosten draagt, waaronder de investeringen in digitale middelen, de veranderkosten van het ambtelijk apparaat en de sturingskosten. De gemeente zal de eigen invoeringskosten dragen en de (door de rijksoverheid) voorziene besparingen in de toekomstige gemeentelijke exploitatie zullen direct en blijvend ten gunste komen aan de gemeente. In praktijk komt dit neer op een voorinvestering in de jaren 2016-2019 die mogelijk terugverdiend kan worden uit de exploitatie vanaf 2019 (na invoering van de Omgevingswet). Gezien de onduidelijkheden en de onzekerheden in de context (zie eerder) is het nog niet mogelijk geweest om een volledige raming van de invoeringskosten en van de effecten op de exploitatie te geven. Vooralsnog is het benodigde bedrag voor de invoeringskosten tot aan 2019 geraamd op € 1,5 miljoen. Dit is een eerste voorzichtige inschatting geweest. In 2017 zal een verdere onderbouwing van de dan te ramen invoeringskosten worden opgesteld.

Bij de programmatische aanpak en de programmatische invulling van de jaarschijven past een krediet, waarmee betere financiële opdrachtbeheersing rond jaargrenzen mogelijk is, alsook een beter en gemakkelijker inzicht in budget en bestedingen over de looptijd van het programma en daarmee gepaard gaande de monitoring en verantwoording.

Monitoring
De monitoring op voortgang van het bijzonder programma Omgevingswet zal onderdeel uitmaken van de reguliere producten van de planning & control cyclus. Vooralsnog worden geen specifieke effect- noch prestatie-indicatoren geformuleerd. Mogelijk dat bij het formuleren van de doelen een of meerdere effectindicatoren zullen worden opgesteld.