Programmabegroting 2027

5.5 Langjarige ontwikkeling reserve parkeren

De gemeenteraad wordt jaarlijks bij de kaderbrief geïnformeerd wordt over de verwachtingen ten aanzien van de langjarige ontwikkeling van de reserve Parkeren. Dit was voor het laatst in 2025 in bijlage 5.7 bij de Kaderbrief 2025-2029. Deze paragraaf gaf inzicht in het verloop van de reserve Parkeren voor de periode 2025-2044.

Het voorliggende meerjarenperspectief van de reserve Parkeren voor de periode 2026-2045 sluit aan bij het kader zoals dit in het raadsbesluit in 2009 is geformuleerd: de reserve Parkeren is in beginsel een kasboek waarbij de inkomsten en uitgaven van auto- en fietsparkeren langdurig met elkaar in evenwicht moeten zijn. De gekozen periode is een doorkijk van 20 jaar om de financiële effecten van genomen besluiten op de kasstroom te kunnen zien. Het huidige perspectief loopt daarom tot 2045.

Resultaat 2025

Ten opzichte van de begroting is het resultaat van parkeren in 2025 €1.605.000 voordelig, wat 6,4% van de totale omzet van 2025 bedraagt. Het voordelige resultaat komt tot stand doordat zowel de lasten als de baten afwijken van de begroting, waarbij de gerealiseerde baten hoger zijn dan begroot (een voordeel) en de gerealiseerde lasten lager zijn dan begroot (eveneens een voordeel).

Binnen het beleidsterrein parkeren wordt onderscheid gemaakt tussen auto- en fietsparkeren. Het voordeel op de baten (+ €1.148.000) bedraagt 4,8% ten opzichte van de totaal begrote parkeerinkomsten van € 24,1 miljoen en is toe te schrijven aan hogere parkeeropbrengsten, met name door het ondergronds parkeren in de garages Lammermarkt en Garenmarkt, in het bijzonder in de maanden november en december.

Het voordelige resultaat op de lasten (€ 457.000) wordt veroorzaakt door niet gerealiseerde uitgaven, gedekt uit de reserve parkeren, voor de kredieten fietsenstalling Lange Mare en voorbereidingskosten en studies naar parkeren bij Leiden CS (Lorentz). De dekking voor deze kredieten blijft beschikbaar in 2026.

Het voordelige jaarresultaat van de lasten en baten binnen de parkeerexploitatie wordt verrekend met de reserve parkeren.

In € 1.000, v = voordeel

Lasten

Baten

Saldo

Autoparkeren

166

V

1.112

V

1.278

V

Fietsparkeren

291

V

36

V

327

V

Totaal

457

V

1.148

V

1.605

V

Ontwikkeling van de reserve Parkeren 2026-2045

Onderstaand wordt de actuele ontwikkeling van de reserve Parkeren voor de komende 20 jaar weergegeven. Dit is de ontwikkeling alle bekende en verwachte kosten en een selectie van de belangrijkste extracomptabele posten.

Autonome ontwikkelingen

  • Vanaf 2026 wordt in de reserve Parkeren structureel een veiligheidsbuffer van € 3,5 mln. aangehouden ter dekking van potentiële toekomstige economische ontwikkelingen die tot tegenvallende resultaten kunnen leiden.
  • In 2026, 2027 en 2028 wordt een extra risico op lagere parkeerinkomsten van € 1,0 mln. opgenomen als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten. Er is sprake van een afname van het aantal parkeerders door hogere brandstofprijzen. De parkeeropbrengsten staan hierdoor al enkele maanden structureel onder druk en gemeente breed is sprake van ongeveer 10% minder omzet.
  • Vanaf 2030 wordt gemiddeld € 1,6 mln. opgenomen als risicobuffer voor de impact van rentewijzigingen (uitgangspunt: omslagrente 3,5%). Hierbij is gerekend met de boekwaarde van de vervangingsinvesteringen, exclusief de casco-boekwaarde van de gemeentelijke garages.

Structurele lasten algemeen

  • Vanaf 2026 wordt jaarlijks een gemiddeld bedrag van € 0,13 mln. opgenomen voor ICT-kosten voor applicaties die buiten het gesloten systeem van de parkeerexploitatie vallen. Deze kosten worden door de afdeling ICT doorbelast.

Incidentele lasten algemeen

  • In 2028 vindt een eenmalige onttrekking van € 0,9 mln. plaats voor onvoorziene kosten en risico’s van het Groene Loper-project.

Structurele lasten autoparkeren

  • Vanaf 2026 wordt structureel een gemiddeld bedrag van € 0,42 miljoen opgenomen ten behoeve van de vervanging van het Parking Management Systeem (PMS), het Video Management Systeem (VMS), het onderhoud en overige parkeerapparatuur in alle parkeergarages.
  • Vanaf 2028 wordt structureel een extra bedrag van gemiddeld € 0,12 miljoen aan kapitaallasten opgenomen voor de renovatie van de Haarlemmerstraatgarage, aangezien de kosten naar verwachting hoger uitvallen dan begroot.
  • Vanaf 2028 wordt jaarlijks een gemiddeld bedrag van € 0,26 mln. opgenomen ten behoeve van de vervangingsinvestering in parkeerautomaten in zone A en B, die sinds 2016 in gebruik zijn.

Structurele lasten fietsparkeren

  • Vanaf 2026 wordt structureel een verhoging van de beheerskosten van de fietsenstallingen opgenomen voor een gemiddeld totaalbedrag van € 0,12 mln.
  • Vanaf 2027 ontstaat een structureel nadeel van gemiddeld € 0,16 mln. als gevolg van de geprognosticeerde herijking van de beheerskosten voor de nieuwe fietsenstalling Breestraat, op basis van ervaringscijfers van bestaande stallingen en de ruime openingstijden.
  • Vanaf 2030 wordt voor de bouw van een nieuwe fietsgarage bij de bibliotheek structureel een gemiddeld bedrag van € 0,44 mln. gereserveerd.

Incidentele lasten fietsparkeren

  • In 2026 wordt eenmalig een bedrag van € 0,6 mln. aan geraamde grondkosten voor fietsenstalling De Geus onttrokken aan de reserve.
  • In 2033 wordt eenmalig een bedrag van € 8,0 mln. gereserveerd als bijdrage aan het MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport), ten behoeve van de cofinanciering van nog niet gedekte fietsvoorzieningen.

Bijzonderheden ontwikkeling reserve Parkeren

In 2026 is geen tariefsindexatie voor parkeren doorgevoerd, aangezien de realisatie hoger is uitgevallen dan begroot. De geplande tarief-indexaties voor de jaren 2028, 2030 en 2032 (€ 0,25) zijn vooralsnog gewoon in de prognose opgenomen.

Grafiek 1 Ontwikkeling reserve parkeren 2026 (exclusief extracomptabele posten)

Grafiek 1 toont de ontwikkeling van de reserve Parkeren exclusief de extracomptabele posten. Doordat deze kostenposten buiten beschouwing zijn gelaten - waarbij met name het extra fietsdepot een substantiële kostenpost vormt - ontstaat een sterk vertekend positief beeld van de reserveontwikkeling. In deze prognose bereikt de reserve Parkeren in 2030 de laagste stand van circa € 10,13 miljoen, waarna de reserve positief blijft ontwikkelen.

Invloed extracomptabele kosten

Op het gebied van handhaving fietsparkeren en deelmobiliteit moeten nog nadere keuzes worden gemaakt. Maar gezien de bestuurlijke wensen zijn vooralsnog deze posten wel al verwerkt in de onderstaande berekeningen voor de Reserve parkeren.

  • In de jaren 2026 t/m 2029 wordt jaarlijks € 0,45 mln. gereserveerd voor mogelijkheden en extra kosten ten behoeve van ambities op het gebied van duurzame verstedelijking.
  • In de jaren 2027 t/m 2030 wordt jaarlijks gemiddeld € 0,31 mln. gereserveerd voor mogelijkheden en extra ambities op het gebied van fietsparkeren.
  • Vanaf 2028 wordt voor een extra fietsdepot structureel een gemiddeld bedrag van € 0,84 mln. gereserveerd voor huur- en beheerkosten (totaal).

Grafiek 2 Ontwikkeling reserve parkeren 2026 (inclusief alle extracomptabele kosten)

Grafiek 2 toont de ontwikkeling van de reserve Parkeren, inclusief de extracomptabele posten voor fietsparkeren en deelmobiliteit. Daarbij zijn de risico’s van beperkte bereikbaarheid en economische ontwikkelingen — die kunnen leiden tot lagere parkeerinkomsten en hogere lasten — financieel doorgerekend. Uit deze prognose blijkt dat de reserve Parkeren in 2034 afneemt tot € 5,70 miljoen en eind 2043 de risicobuffer bereikt. Daarna zet de daling structureel door, waardoor in 2045 een negatief saldo ontstaat.

De analyse laat zien dat de reserve Parkeren, rekening houdend met alle extracomptabele posten, op de lange termijn naar verwachting niet financieel gezond blijft. Daarmee voldoet de ontwikkeling niet aan het kader van het raadsbesluit uit 2009. Het geschetste toekomstbeeld is bewust gematigd defensief opgesteld om mogelijke tegenvallers te kunnen opvangen, maar laat ondanks deze voorzichtige benadering alsnog een toekomstig negatief resultaat zien.

De conclusie is daarom dat tijdige bijsturing noodzakelijk is. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan aanvullende tariefindexaties, voor zover de maatschappelijke en economische draagkracht dit toelaat.